Perfect in evenwicht stond ze op de rand van de krijtrotsen, armen gespreid, hoofd achterover, ogen gesloten. De wind trok aan haar lange haar, liet het dansen. Losgerukte bloemen en bladeren wervelden als een vlucht vlinders om haar heen. De zee wierp zich tegen de rotsen, spatte wit, grijs en blauw uiteen onder haar. Ze fluisterde woorden in de wind.
“Neem ze mee en breng ze naar mijn lief, ik ben bijna thuis.”
De wind, warm en sterk trok aan alles wat in zijn baan lag, haar woorden droeg hij met gemak.
Ondanks dat de mensen haar overdag wantrouwende blikken toewierpen en hun stemmen zakten in gefluister, wisten ze haar, zodra het donker werd, feilloos te vinden. Ze was beangstigend eerlijk en wist overal een antwoord op. Antwoorden die het daglicht niet konden verdragen, die zéker de pastoor niet kon verdragen.
In zijn ogen had hij de macht over de dag, zij over de nacht. Hij beheerste de stad, zij de omringende natuur. Al kroop diezelfde natuur in de parkjes en verscheen het zelfs in de tuintjes van de mensen. Hij herkende de kruiden wel en hij wist ook dat ze niet alleen bedoeld waren voor het eten.
Hij vervloekte haar. Zijn woord moest geluk en verlossing brengen, niet haar kruiderij en spreukenboek!
Simon zag haar balanceren. Haar jurk waaide op door de onstuimige zomerwind, gaf een vluchtige blik op haar benen en het kant eronder. Het leek alsof ze zo weg zou vliegen. De gedachte dat ze zomaar kon verdwijnen, liet hem schrikken, hij kon haar niet missen, ook al waren zijn bezoekjes in het donker heimelijk.
Hij haatte de zomer door de lange dagen, hij kon haar dan pas laat ontmoeten. Vanavond was zijn verlangen naar haar zo groot geweest dat hij eerder was vertrokken. Nu zag hij hoe Morgan haar dag uitzwaaide en samen met de zee, de zon toedekte. Een laatste dagvogel scheerde over haar heen om zijn beschutting in de bomenrij naast haar huis te vinden. Haar blik volgde de vlucht en vond Simon. Zelfs van een afstand voelde hij het branden.
De eerste keer dat hij in haar ogen had gekeken had hij zich verbaasd, vuur in ijzigblauw. Haar oogopslag, haar haren die ontembaar leken, de schouders nauwelijks bedekt door soepele stof, het kettinkje ragfijn zilver, had zijn ogen naar haar decolleté getrokken, zacht, rond. Zijn reactie was lijfelijk geweest en zo intens dat hij ervan schrok. Met een ruk had hij zich weer op haar ogen gericht, terwijl de schaamte in zijn nek prikte en een zweetdruppel over zijn rug liep. Hij had afkeuring verwacht, maar kreeg een glimlach in haar ogen. Haar woorden “Warm hè?” maakten dat hij zich verslikte.
Ja, ze was anders, dat was al heel snel duidelijk.
Hij werd haar minnaar, maar had niet de illusie dat hij de enige was. Hij vermoedde wel dat hij vaker bij haar kwam dan anderen, maar dat wist hij niet zeker. Ze was nooit verrast als hij kwam en nog nooit had hij haar met een ander gezien. Wel had hij eens moeten wachten omdat er wat dames giechelend uit haar huisje waren vertrokken. Ze waanden zich alleen en hij verstond het opgewonden gefluister woordelijk “Frank zal niet van me af kunnen blijven, en wist jij dat het zo fijn kon zijn?” Het gegiechel stopte en de dames pakten elkaars hand. “Het was heerlijk, maar we zeggen niks hoor, tegen niemand! Stel je voor als ze wisten dat ik jou…dat wij…oh Jeany, dit is ons heerlijke geheim!” De stilte deed hem opkijken. De vrouwen gingen in elkaar op, hun zoen intens, elkaar zuchtend stelend, toen hun rokken opgetild werden werd het hem teveel, verlangen schoot door zijn lijf.
Simon besloot hun verhaal, net als zijn eigen bezoekjes aan Morgan, voor zich te houden. De vrouwen hadden zijn lust gewekt. Hij rende bijna naar Morgan. De schittering in haar ogen toen ze hem binnenliet, vertelde hem dat zij de vrouwen de liefde had geleerd. Ze had ze ingeleid in de prachtige geheimen van het vrouwenlichaam en hen bewust gemaakt van het genot wat ze konden ervaren. Hun nacht was onstuimig en warm, zijn fantasie vrij. Hij was blij dat ze iedereen mee wilde nemen in haar wereld van liefde. Want iedereen verdiende het genot wat het gaf.
De laatste stralen van de zon gloeiden langs haar profiel, schenen licht door de dunne stof van haar jurk. Ze droeg wit vanavond, meestal was ze in donkere en felle kleuren gekleed. Een gevlochten zilverdraad hield het haar uit haar gezicht, maar het kon vrijuit dansen met de wind.
“Het is de langste dag vandaag, wist je dat?” Vroeg ze toen ze op een afstand was dat haar stem de wind kon overwinnen. Hij schudde zijn hoofd, besefte dat de dagen dus weer korter zouden worden, hij mistte die lange winternachten. “Wist je dat er plaatsen zijn, waar het nu helemaal niet donker wordt?” Ze was nu zo dichtbij dat hij haar kon vastpakken. Zijn armen gleden om haar middel, trokken haar, wat wilder dan anders, tegen zich aan. “Ik moet er niet aan denken” gromde hij voordat hij haar gezicht omvatte en met zijn tong zacht over haar lippen gleed, ze glimlachte tegen zijn zoen. “Je bent ongeduldig, ik wil je wat laten zien, kom.”
Aan haar hand,die warm in de zijne gloeide, liep hij met haar mee. Ze leidde hem naar de rotsen. Ze koos een pad waarvan hij nooit had geweten dat het er was. Langs grilligwit, klommen ze via treden naar beneden, nog net verlicht door de zonnestralen die in de hemel weerkaatsten. Hij voelde hoe de zee spetters opgooide, proefde het ziltige ervan op zijn lippen.
Eenmaal beneden, wilde hij Morgan weer vastpakken, maar ze ontweek hem en dwong zijn blik van haar af, door te wijzen.
Simon zag. Een ranke omtrek tekende zich af tegen de golven. De wind leek met het dalen van de zon, gekalmeerd te zijn. De zee nog steeds wild, zijn schuimkoppen kregen nog net een gulden glinstering mee, de zon leek alle tijd te grijpen die ze kon. Had hij de zon gister nog vervloekt, wilde hij nu dat ze straalde, om haar goed te kunnen zien. Hij keek om naar Morgan, haar fluistering dreef mee op de warme avondlucht.
“Bemin haar zoals ik je geleerd heb, ik ben hier niet voor altijd, zij wel.”
***
De pastoor voelde zich ongemakkelijk, de zomerwarmte liet hem zweten. Hij verafschuwde de donkere vlekken die het gaf. Soms kleedde hij zich meerdere keren om, maar het mocht niet baten. Hij voelde de blikken van de mensen en hij schaamde zich. Dat maakte het erger omdat hij ijdelheid verafschuwde, het was een zonde en zijn grootste zwakte. Hij trok zich terug in zijn kamer waar de luiken en de dikke muren hem beschutting gaven tegen de hitte die vandaag extra leek te branden. De preek voor de mis moest geschreven, maar hij kreeg er geen vat op. Hij staarde naar de witte vellen en voelde de zweetdruppels over zijn rug. “Kan ik dan nergens de verkoeling vinden?” klaagde hij richting het kruis aan de muur. Het antwoord bleef uit, natuurlijk, wie maakte zich nou druk om een oververhitte pastoor? God in ieder geval niet, wist hij.
Plots scheen de zon zijn kamer in, de wind had een van de luiken open getrokken en blies lichte verkoeling naar binnen. Het papier dwarrelde door de ruimte.
Vlug liep hij naar het geopende raam, om het sluiten, maar de koelte die de zomerbries gaf was zo verleidelijk dat hij zijn hoofd uit het raam stak en zijn wangen liet koelen.
De wind droeg woorden naar zijn raam. Zijn blik zocht en vond de bron.
het slot lees je hier KLIK