Hij klapte zijn portemonnee open en keek naar het fotootje van zijn overleden vrouw. Beduimeld en verkleurd deed het afbreuk aan zijn herinnering aan haar. Precies een jaar geleden leek zijn leven met dat van haar stil te staan, maar het zijne ging door. Net als het werk. Hij legde de portemonnee in het dashboardvakje en deed het taxilicht op zijn autodak aan. Nog één rit en dan had hij het wel gezien voor vanavond. Hij hoorde hakken klikken op het trottoir en al voor hij haar zag wist dat hij een klant had.
Ze stapte met schitterende ogen en een verbeten trek om haar mond in zijn taxi. Toen hij zich omdraaide om te vragen waar ze heen moest, moest hij zich even moeten herpakken, haar verschijning was indrukwekkend. De lange, kleurige jurk ruiste om haar heen. Haar donkere haren in een lange vlecht.
Voordat hij de vraag had kunnen stellen, wees ze met een trillende vinger naar een zwarte sportwagen, “Volg die auto.”
Even had hij grijnzend op willen merken dat dit alleen in films gezegd werd, maar het beven van haar uitgestoken hand hield hem tegen.
Ze reden stilzwijgend de stad uit, langs de kustlijn. Hij keek geregeld in de achteruitkijkspiegel om te zien of ze in orde was. Af en toe hoorde hij haar licht zuchten. De wagen reed hard, maar toch rustig. Gelukkig zo hoefde hij ook niet te jagen, al schuwde hij een beetje snelheid niet. Inmiddels voelde hij dat het van levensbelang was om de auto niet uit het oog te verliezen, althans háár levensbelang.
Hij hield de meter in de gaten en vermoedde dat dit nog wel eens een beste rekening kon worden, de zwarte auto leek niet in snelheid te minderen en na deze afslag zou er heel lang niks meer komen.
“Let op, hij gaat eraf” Haar zachte stem klonk zeker.
“Dan mag hij wel heel rap vaart minderen, met die snelheid haalt hij het nooit”
“Oh jawel hoor, hij redt het wel, hij redt het altijd, maar misschien…”haar stem stierf weg
“Shit! Je hebt gelijk!”’
Hij zag hoe de sportauto scherp in stuurde en zonder zichtbaar vaart te minderen de snelweg af dook, zo de scherpe bocht van de afslag in. Hij wist dat er achter het muurtje dat bescherming moest bieden tegen het gat erachter, geen berm was, enkel afgrond met de Middellandse zee eronder. De bestuurder van de wagen kende de weg en kon rijden, dat was duidelijk. Zonder te twijfelen zette hij de achtervolging door, wel met mindere snelheid. Hij kon goed rijden, maar had geen last van doodsverachting. Daarbij had hij nog een passagier waar hij verantwoordelijk voor was.
“Je kunt het nu wel rustig aan doen, ik weet het adres”.
Hij fronste zijn wenkbrauwen terwijl hij haar via de spiegel aankeek. Hun ogen troffen elkaar, omlijst door zwart skaileer. En hij zag de tranen komen.
“Als je wist waar die auto naar toe ging, waarom zei je dat niet meteen?”
“Ik wist het nog niet. Pas toen hij de afslag nam, kende ik zijn bestemming. Ik wilde er zeker van zijn van waar hij elke donderdag naar toe gaat. Dat kon alleen door hem te volgen”.
Hij bleef achter de ander aan rijden. De weg slingerde tussen bomen, rotsen, land en zee door. Het leidde naar een klein stadje dat zich tussen de hemel en de zee tegen de rotsen geplakt leek te hebben.
“Hij gaat zo naar rechts, als jij nou rechtdoor gaat en zo snel mogelijk een parkeerplaats vind, ga ik lopend verder, hij is… ik móet weten of…” .
Haar stem werd zo zacht dat hij haar laatste woorden niet hoorde, maar hij wist wat ze had willen zeggen. Hij voelde enorm medelijden met haar.
Hij begreep de bestuurder van de sportwagen niet. Ondanks de roodomrande ogen, het bleke gezicht en gespannen trek om haar mond, vond hij haar prachtig. Lange donkere haren, hazelnootkleurige ogen en zachte, volle lippen.
Ze kreeg gelijk, de zwarte auto ging rechts, hij zag gelukkig direct een parkeerplaatsje, behendig parkeerde hij tussen een scooter en paaltje in.
“Ga maar, ik wacht hier tot je terug bent”. Hij keek naar de meter, “En die zet ik uit”
Ze liet zichzelf uit de auto en bedankte hem. De wind greep gelijk naar haar jurk. Het fleurige zwieren stak schril af tegen haar witte gelaat. Ze duwde wat losgeraakte krullen achter haar oor.
“Dankje, ik ben zo terug”
Hij zag in het licht van de lantaarns hoe ze de hoek om sloeg het straatje in. Om de tijd te doden zette hij de radio aan, de nieuwslezeres begon net aan het avondnieuws van tien uur. Al na vijf minuten kroop de onrust in zijn lijf. Hij deed zijn raam open en liet de warme zeewind de auto binnendringen. Nog vijf minuten later stapte hij uit en stak hij, terwijl hij tegen zijn portier leunde zijn laatste sigaret op. Hij vroeg zich af hoe lang hij moest wachten. Hij had beloofd te blijven en was een man van zijn woord, maar wat als ze hem hier urenlang liet staan?
Maar dat deed ze niet.
Onverwacht stil kwam ze de hoek om rennen. Haar jurk hield ze op, zodat haar voeten vrijspel hadden. Haar sandaaltjes die net nog weg klikten door de fijne hak, had ze in haar andere hand. In het licht van de straatlantaarns zag hij haar tranen en hij voelde diep medelijden en een plotselinge vlam van woeste verontwaardiging naar degene die haar dit aandeed.
Snikkend kwam ze voor hem tot stilstand en keek ze naar hem op.
“Ik wil weg van hier!”.
Hij knikte en deed de portier voor haar open. Hij sloot haar deur voorzichtig en stapte weer achter het stuur, via de spiegel zocht hij haar blik. Hij zag haar wangen nat glanzen, weer voelde hij die woede. Met een lichte trilling in zijn stem vroeg hij ,“Waar wil je naar toe?”.
“Ik, ik weet het niet, niet terug. Rij maar gewoon weg”
Ze reden de straat uit. De lichten beschenen de gevels die nu zo grauw leken, maar hij wist dat ze overdag mooie, zachtgele tinten hadden. Hij reed het stadje uit, en volgde de kustweg verder naar beneden.
Zijn blikken in de achteruitkijkspiegel misten niks. De tranen, haar trillende onderlip, het bleke gezicht. Ze verbeet zich om niet helemaal in huilen uit te barsten.
Bij een eetcafeetje in de bocht van de kustweg, stopte hij. Het had een terras die gevaarlijk over de rotsen leek te hangen en naar beneden prachtig uitkeek over de zee. De andere kant op liet de afrit en de snelweg zien die hen naar de kustweg en het stadje hadden geleid.
“Ik haal even sigaretten, heb jij iets nodig?”
Ze schudde haar hoofd.
Hij kwam terug met een pakje M&S en een fles rode wijn, netjes ingepakt in een vloeipapiertje. Plus twee glazen in een tasje. Hij zag dat ze op de bijrijderstoel was gaan zitten. Zonder iets te zeggen legde hij de spullen op de achterbank en stapte hij weer in.
Terwijl hij reed, keek hij opzij. Haar tranen waren opgedroogd, slechts haar bleekheid verraadde haar emoties. Hij parkeerde hij de auto uiteindelijk op de grote parkeerplaats waar de weg naar toe leidde. Het keek uit over het strand en de zee die, in de oneindigheid van de flonkerende nachtlucht, op leek te gaan. De maan liet in de zee zilveren sterren schijnen.
“Alsof we tussen de sterren zijn”. fluisterde ze, haar stem nog schor.
Ze liet zich aan zijn hand van het trapje naar het strand leiden. Op de grens van zand en water gingen ze zitten. Hij nam de glazen uit het tasje, schroefde de dop van de wijn en schonk in.
Ze proosten zonder wens en dronken, terwijl ze elkaar woordeloos wisten uit te leggen dat ze elkaar voor vanavond nodig hadden. Alleen voor die nacht.
Onder en boven de sterren.
Hij gaf toe aan zijn gevoel en liet zijn hand zacht tegen haar wang rusten. Met zijn duim streelde hij de brug van haar neus, liet zijn hand in haar nek glijden en trok haar zachtjes tegen zich aan. Ze leunde, liet het toe en zuchtte zachtjes, toen hij zacht over haar haren en rug streelde. Krachtige kalmerende bewegingen. Ze wiegden elkaar, begeleid door het ruisen van de zee.
Haar handen vonden de knoopjes van zijn overhemd. Zijn handen streelden haar armen, hij liet zijn vingers onder de bandjes van haar jurk glijden. Zij duwde het linnen van zijn schouders.
Hun lippen volgden het spoor van hun handen, vonden elkaar. Ze ging staan en liet haar jurk voor hem op de grond glijden. Zittend op zijn knieën, pakte hij haar handen en kuste ze aan de binnenkant, volgde zijn weg over haar onderarm, liet zijn tong zachtjes aan de binnenkant van haar elleboog draaien en proefde haar parfum, zoetkruidig en vanille. Zijn vingers gleden over haar zachte, naakte buik. Zijn neus wreef over het kanten randje van zacht zijde. Haar handen woelden door zijn haar en een kreetje ontsnapte over haar lippen toen hij een kus in haar navel drukte en hij tegelijk haar slipje uittrok. Zijn vingers en lippen streelden haar laatste ontblote huid. En zij trilde.
Ze zakte op zijn schoot en omklemde zijn schouders. Hun zacht kreunen ging in elkaar op. Hun silhouetten werden één in een ongelooflijk intiem en troostend moment.
Hij bracht haar thuis, toen de zon de ochtendster liet doven. Een kus was hun afscheid. Woorden niet nodig.
De zon klom hoger en drong de dag aan hun op. Hun nacht leek te smelten in de warmte van het zonlicht en vloeide over in een mooie herinnering.
Precies twee weken later vond ze een enveloppe in haar postbus. Met een adres, de naam van een restaurant; ‘Sotto del Stelle’ en een tafelnummer.
Zonder te twijfelen ging ze. De naam hoorde bij het café waar hij de wijn en sigaretten had gehaald. Haar tafeltje keek uit op een steile rotswand en over de zee, de maan was er niet, alleen de sterren. Ze bestelde een rode wijn, hún rode wijn en ze keek uit over de zee, genietend van de duistere kalmte die het uitstraalde, zonder de maan nu zwart glanzend.
Plotseling verstoorde een hoog gegier de rust van de avond, gevolgd door een harde klap. Metaal tegen metaal. Stenen vielen ineens bij de hoge rots naar beneden, stortten in zee. Ze zag gelijk wat de veroorzaker was.
Als in slow motion zag ze twee lichtbundels over de rand verschijnen. De zwarte sportauto was bijna niet zien in de nacht, maar werd door zijn koplampen zichtbaar. De neus zakte. De twee stralen licht beschenen de golven. De motorkap raakte een uitstekende rots en de auto tolde. Ze zag slechts, het geluid nam ze niet meer waar. De sportwagen klapte op de kalme golven. Alsof het uitvergroot werd zag ze het bleke gezicht van haar man, zijn wijd opengesperde ogen. Zijn handen klauwden en gleden in paniek over de ramen. Maar zijn auto liet hem niet vrij. Hij verloor de strijd.
Twee lichten werden uiteindelijk met hem opgeslokt in het zwarte water, ze verdwenen als vallende sterren de diepte in. Langzaam doofden ze en alleen de deining van het water verraadde nog wat er zojuist gebeurd was.
Ze keek op naar de rand van de rotsen en zag een silhouet verdwijnen. Door de stilte hoorde ze een autoportier dichtslaan en een motor starten. Niet veel later verscheen een taxi op de kustweg naar ‘Sotto del stelle’. De taxi parkeerde naast haar autootje. Ze zag dat zijn bumper mistte.
Het taxilicht brandde.
‘off duty’.
in alle rust gelezen, mooi verhaal, meid!
Ik zie dat je toch nog wat aan de laatste alinea’s hebt aangepast.
En het blijft een passievol verhaal. Had het je graag horen voordragen.
Oefff.
Je kon het niet laten he? Hij moest tóch nog even uit de weg geruimd