De touwbrug strekte lang en onheilspellend voor haar uit, hij overspande een kloof, een van onpeilbare diepte. Ze lag languit op de grond om de steile wand te bekijken, en verwonderde zich over de begroeiing ervan.
Bomen groeiden ogenschijnlijk op niets, hadden zich met hun wortels in het verticale verankerd. Majestueus lieten ze hun bladerkroon breed uitwaaieren langs de wand, ontnamen het zicht aan de grilligheid ervan en verzachtten het idee van diepte. (meer…)